| Aantekeningen |
- Johannes Vollebregt (21-5-1793 - 17-5-1872)
Vollebregt was zonder twijfel een artistiek begaafd iemand, een zoeker, en stelde aanvankelijk ook minder interesse in zaken doen. Jarenlang werkte hij als meubelmaker en lijstwerker. Weliswaar was zijn vader orgelmaker met een bescheiden bedrijfjeen had hij het vak van jongs af aan meegemaakt. Johannes was kennelijk niet tevreden met datgene wat hij kon maken en hij wilde zijn artistieke vermogens en zijn gehoor eerst naar tevredenheid ontwikkeld hebben voor hij zelfstandig aan de slag ging. Met name de kennis en ervaring van het mensureren en pijpmaken zal hij, van huis uit immers schrijnwerker, op latere leeftijd nog hebben willen ontwikkelen. Voor hij zijn draai in Den Bosch gevonden had verhuisde het gezin Vollebregt vele malen.Mogelijk heeft het ook vanwege zijn sociaal-economische en persoonlijke omstandigheden lang geduurd voor het zover was.
'Ondergeteekende heeft de eer zijne Geabonneerden en Begunstgers te berigten, dat hij den Persoon van J. Vollebregt uit zijnen dienst heeft ontslagen, en den Heer A. Meere, en in overeenkomst met diens zaak, als Stemmer heeft aangesteld; blelovendein alles een exacte bedienig.
Utrecht, den 8sten Julij 1844. H.D. Lindsedn, orgelmaker".
[bron: krantenadvertentie]
Vollebregt verloor tijdens zijn jeugd drie broers en twee zusters. Ook overleed zijn vader vroegtijdig. Johannes huwde in 1818 met Anna Maria van den Tempel in Schiedam. Hij was katholiek, zij 'gereformeerd'. Zij kregen 6 kinderen, waarvan er één spoedig overleed. Johannes' vrouw overleed reeds in 1841. Spoedig daarop trouwden 3 van de 5 kinderen. Johannes bleef weduwnaar tot zijn dood en woonde in Den Bosch in bij zijn zoon Jacobus en zijn schoondochter. Johannes Vollebregt ging niet over één nacht ijs en wilde kennelijk een volstrekt eigen concept maken. Op 47-jarige leeftijd ondernam hij zelfs nog oriëntatie-reizen naar Duitsland en Engeland en werkte hij enige tijd bij de orgelmakers Lohman, Bätz en Naber. Ook bestudeerde hij, zoals veel andere collega's, naarstig de grote orgelbouwboekwerken uit zijn tijd, die van Dom Bedos de Celles en Van Heurn. Ook in zakelijk opzicht had Vollebregt zich verder bekwaamd. Hij slaagde erin voor concurrerende prijzen een zeer goede kwaliteit te leveren en in korte tijd zeer veel werk te leveren. Vanaf dit eerste orgel uit 1846 - nu te Sleen, voorheen St. Agatha-Cuijk -maakte Vollebregt dan ook een grote carrière en was hij tot kort voor zijn dood in 1872 nog volop actief in het bedrijf. Vollebregt liet aanvankelijk het schrijnwerkersvak in zoverre voor wat het was, dat hij in veel gevallen niet zelf actief zijn meubels vervaardigde, doch dit overliet aan vaklieden, met wie hij samen wilde werken en die gestalte konden geven aan zijn eigen ideeën. Zo ontstonden de grandioze neo - ofwel barok - classicistische meubels als die te Erp, Gemonde, Den Bosch (St. Cathrien), Zevenbergen RK (vm. Orgel), Kaatsheuvel, e.v.a. Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853zien we dat Vollebregt gaandeweg zijn eigen kassen bouwt, hecht en weldoordacht, doch sober van vormgeving en ornamentiek. De kas te Sleen is zeer waarschijnlijk ook door Vollebregt zelf gemaakt. We doen Vollebregt recht, indien we zijn naam scharen onder de meest vooraanstaande orgelmakers van ons land in de vorige eeuw. Zijn concept was echter nog zo klassiek, dat we hem wel kunnen typeren als een 19de eeuwse 17de eeuwer. Geen wonder, dat reeds tijdens zijn leven een geheel andere generatie orgelmakers opgroeide, die uit een geheel ander vaatje zou gaan tappen. We zien dan ook, dat direct na de dood van Vollebregt zoon Jacobus in 1888, het ene na het andere orgel van de firma J.J. Vollebregt & Zn. ten offer viel aan (veelal) smakeloze verbouwingen. Het concept was te 'einmalig' en weldoordacht, doch te 'ouderwets' om er iets geheel 'eigentijds' van te maken, het materiaal echter te degelijk en te waardevol om het instrument in z'n geheel te vervangen. Door die loop van de geschiedenis is de erfenis van vrijwel originele Vollebregt-orgels in onze tijd slechts één handvol van de 37 nieuwe instrumenten die hij van 1846-1872 vervaardigde. Uiteraard zijn meer instrumenten van hem bewaard gebleven en is er een tamelijk grote hoeveelheid authentiek materiaal aanwezig, doch allemaal in gewijzigde staat, omgebouwd, verschoven, geherintoneerd vanuit geheel andere uitgangspunten, etc.
Literatuur:
Frans Jespers en Ad van Sleuwen
'Tot roem van zijn makers. Een studie over J.J. Vollebregt en Zoon'
Stef Tuinstra
'Kroniek van het Vollebregt-orgel in de Hervormde kerk te Sleen (1992)'
Jan Jongepier
'Het Orgel 1992/11'
'Het orgel in de Hervormde kerk van Sleen'
Orgelbouwer Johannes Vollebregt
De orgelbouwer Johannes Vollebregt werd op 21 mei 1793 geboren te Maassluis, maar over zijn jeugd in Maassluis is verder niets bekend. In 1800 verhuisde hij met zijn ouders mee naar Vlaardingen. Hij werkte daar als orgelmaker en schrijnwerker. Op 3april 1818 trad Johannes Vollebregt in het huwelijk met Anna Maria van den Tempel. Zijn vrouw was in 1793 of 1794 in Schiedam geboren, en Vollebregt zelf vestigde zich na zijn huwelijk vanuit Vlaardingen in Schiedam aan het Nieuwwerk - dat nu de Lange Nieuwstraat heet. Anna Maria van den Tempel was gereformeerd en Johannes Vollebregt katholiek: hun eerste drie kinderen werden dan ook gereformeerd gedoopt en de daaropvolgende kinderen katholiek. De schrijnwerker en orgelmaker Vollebregt maakte in 1819 het orgel van de Oud-katholieke kerk schoon in Schiedam, maar tussen juli 1819 en oktober 1821 verhuisde Vollebregt met zijn gezin naar Rotterdam en bleef daar tot 1826 of 1827 wonen. In die periode noemde Johannes zich weer schrijnwerker, maar over zijn activiteiten aldaar weten we verder niets.
In 1826 of 1827 trok het gezin naar Vlaardingen, waar het zich in de Rijkestraat vestigde en in de jaren 1827 tot en met 1830 is hij daar ook als schrijnwerker werkzaam. Vanuit Vlaardingen verhuisde Johannes Vollebregt weer terug naar Schiedam, waar hij als meester schrijnwerker op 3 januari 1830 werd ingeschreven. Dan duikt de naam van Johannes Vollebregt op in het register van de volkstelling van 1839 in Rotterdam als 'lijstenmaker' met echtgenote en vijf kinderen. Zijn echtgenote overleed op 18 april 1841 hij alleen te staan voor de zorg van het gezin met vijf kinderen tussen de 13 en 21 jaar. Tot half 1845 bleef Johannes Vollebregt in Rotterdam wonen en tussen de jaren 1839 en 1845 heeft hij zich speciaal in het vak van orgelmaker bekwaamd: hij maakte reizen naar Duitsland en Engeland en werkte bij de bekendste orgelmakers van Nederland. In officiële akten liet hij zich aanvankelijk nog altijd schrijnwerker noemen en pas vanaf 1846 Meester Orgelmaker. Hieruit kunnen we concluderen, dat hij tijdens zijn verblijf in Rotterdam nog niet als zelfstandig orgelbouwer werkzaam moet zijn geweest.
De familie Vollebregt in Brabant
Johannes Vollebregt trok met zijn zoon Jacobus begin 1845 naar Brabant - wellicht aangetrokken door nieuwe kansen, omdat de orgelbouw in Brabant door het besluit van apostolisch vicaris Den Dubbelden weer uit het slop raakte: er waren volop nieuwe orgels nodig. In augustus en september van het jaar 1845 plaatste Johannes Vollebregt een advertentie in de krant De Noord-Brabander, waarin hij het 'geëerd publiek' aankondigde dat 'Js. Vollebregt en Zoon' zich als orgelmakers in Heusden hadden gevestigd.
Na een korte periode in Waalwijk vestigde de familie Vollebregt zich in Den Bosch tussen mei en augustus 1847, waar ze lange tijd bleven wonen. Jacobus Vollebregt trad op 5 mei 1847 in Rotterdam in het huwelijk met Helena Barends - een dochter van een koffiebrander - en nam zijn bruid mee naar Brabant. Vanaf het najaar van 1847 woonden ze echter in de Keizerstraat in 's-Hertogenbosch, waar ze ook een werkplaats hadden: vader Johannes Vollebregt woonde er bij zijn zoon en schoondochter in. Ondertussen kreeg de orgelmakerij van Vollebregt een goede reputatie en opdrachten volgden elkaar in hoog tempo op (waaronder de opdracht voor een orgel in de Bestse Sint Odulphuskerk).
Het Vollebregtorgel van Best
Halverwege het jaar 1852 leverde Johannes Vollebregt het orgel voor de Sint Odulphuskerk op nadat hij er ruim een half jaar aan gewerkt had, hetgeen treffend in het memorialeboek van de parochie vermeld wordt: "Ingevolge toestemming en met verlangen van onze Hoogw. Kerkvoogd is er in onze kerk door den orgelmaker J. Vollebregt en Zoon een orgel geplaatst. Het is voor den eersten keer bespeeld geworden den 15 augustus den feestdag van O.L.V. ten Hemelopneming! Hetzelve kost 2850; en de orgelkast met beelden 535. Van dien oogenblik af zijn de andere muziekinstrumenten afgeschaft." Deze laatste zin bewijst meteen, dat er voorheen ook nooit een orgel in de Bestse Sint Odulphuskerk gestaan heeft. Zoals in deze tijd gebruikelijk wilde het kerkbestuur van de Sint Odulphusparochie tevens een orgel, dat groot genoeg was om het kerkelijk orkest adequaat te kunnen vervangen. Dat had ook te maken met de veranderde zangpraktijk in Best: men wilde graag ook uitgebreide muziekmissen kunnen uitvoeren, waarbij een veelzijdig orgel als ondersteuning van de koorzang onontbeerlijk is. Voor het Gregoriaans en voor het begeleiden van de eenvoudige tweestemmigheid in de Leuvense en Amsterdamse missen was dat immers niet noodzakelijk. De kerkrekeningen in het archief van de parochie bevestigen de betalingen voor het nieuwe orgel. De orgelmaker Vollebregt ontving in 1852 ƒ 1650,=, 1852 ƒ 644,= voor kostgeld en in 1854 ƒ 550,= voor zijn werk. Voor de orgelkast was in 1852 het bedrag van ƒ550,= uitgetrokken.
|